Transcript
Transcript
f.172r
Erentfeste, hoochgeleerde, wijse seer voorsienige here.
Mijn here. Dat ic voor desen niet nagecomen hebbe mijne
belofte, daeraff is niet d’oirsake eenige nalaticheijt, dan
allene dat ic mijn brieuen niet seker hebbe cunnen bestellen.
Nu ouerst gelegenheijt becomen hebbende, ben also balde gereed
gewest. Ende sende het hier inne gesloten ouer. Wat onse
saken belanget daeruan blijue ic noch ende houde mijn
olde opinie, te weten dat na mijn geuoelen het den Graue
nergens min om is, als om vrede te maken ende houden. Ja
werde daerinne daechlijx deur sijn exorbitante handel meer
ende meer geconfirmeert. De Jr. van Rijsum verleden dagen mit
Jacobo Gerdari affgeferdiget sijnde na S. G. heft de Jr.
van Rijsum allene audientie becomen, sonder Jacobum eens te
vorderen. dewelcke tsamen thuijs comende rapporteerde de
Jr. daer ic present was, ende dat so gelimpich datmen
daer wat goedes van verwacht soude hebben, so de persoon
so gelooffweerdich ware geweest als hij wel behoorde.
Doch hij hem refererende op schriftelijck bescheijd welcke
na soude comen, suspenderden eenige vt onse middel haer
Judicium, tselue bescheijd eenige dagen daer naer comende
beuonden het so wijt te discorderen van des Jrs. rapport
dat het seker te schandelijck was voor so een olden man.
S. G. schrijft nergens om dan gelt gelt. hij heft vijff
stuyuers van ijder gras landts tot turcken stuier buijten
weten ofte consent der stenden laten om slaen, daer heft hij
sich so wijt op verclaert, so d’assignatoren hem cunnen bestellen
een man die op de misse de restante betalen wil so
wil hij tselue laten vallen. een grote gracie, andersins
secht hij reden genuch te hebben die omslach sijn voort-
ganck te laten gewinnen. Reden genuch seggen de souldaten
de boer heft twintich coyen.
f.172v
De heren Assignatoren souden tot de turckenstuier raad weten
te schaffen, so S. G. haer de consumptien liet volgen. hij
roept ende tiert om gelt oft hij dul is ende hout nochtans
de middelen. als te weten van Fredeburch Aurijcher
ampt. Stickhusen, ende Ordumerampt, beneffens dien
wat vt Emden opt landt gaet, ende hier een mael
de impost betaelt is neempt hij int landt dan noch
een mael. Dit alles onder t praetext dat hij de 100. duijsent
guldens niet crijcht tot betalinge sijner souldaten, sonder
den assignatoren tijt te willen geuen. dat sij de Capitael
schattinge in sammelen. Wat is hier toe te doen? bouen
dien onderstaet ia heft rede de vier witte schattinge
wederomme vt geschreuen alles directe strijdende tegens de lansdachs
sluth. Waer salmen Winwod, Boelens Bile Coenders
nu vinden? die daerop willen ende beloft hebben aen te holden
dat men sulcke iniurien met wraeke sullen veruolgen. Wat
de legatie van den stat Emd. betreft nu seer onlanx
aen S. G. gedaen, brengen euen so veel appelen als peren.
Daer sij versocht hebben om attestatie te hebben dat het
Staten volck vt Emden vertrocken sij, schrijft S. G.
quaedam vexilla hollandica, vel vt postea intellexi
tria, recht oft dander noch van tselffde volck was.
De amnestiam wil hij publicieren, salff een ijder sijn
recht. Het vt trecken van het Staten volck heft rede
gecauseert bouen geseide extorsien, ende in plaetse die
van Emden op S. G. pasport mochten eenige malen seker
reijsen willen die van Lingen nu meer op S. G. pasport
niet letten. Hij hout noch aen om de crijgschluyden
in sijn eed te hebben, den heren Ouerste wil hij geerne
quijt sijn. Ende als gespreid wert Joost haen
in sijn plaets. De 80 duysent Rijx dalers wil hij
f.173r
can noch wil hij niet aennemen. ende doet daer bij
sij sullen haer verclaren so sij niet nader willen comen,
euen goet, so sal hij de mandata reassumeren in valle
ia mogen hem sulx schryuen, so wil hij Jr. Willem
de Cantzeler, vnd Dr. Pauli seijnden, om nader mut
sie te tracteren het volck euen blint als daerheen
gepersuadert dat sij haer verclaren nader te willen
comen waerop de brieuen desen dach na S. G. affgaen.
S. G. vrgeert seer die beseindinge na Brussel
ende Lingen, secht dat sonder sulx de neutralitijt niet sij
te becomen, wil voor eerst seijnden op Lingen om een maent
ses ofte acht stilstant te crijgen, tot datmen in middelst
tot Brussel alles becomen mach. Die van de stat hebben
daer toe ic mene twe duijsent rijx dalers S. G.
gepresenteert, hij secht sij cunnen wel minder toe comen, begeert
oc die van de stat willen iemand daerbij committeren, om
dat sij mogen weten dat het recht toegaet. welcke
sij noch hebben affgeslagen. Dit is vast tgen’ hier
gepasseert is, wat daer vt volgen wil soude men haest
cunnen ordelen. V. E. hier mede in schuts des Alm.
beuelende. Ilend den 27 Febr 1607
V. E. gansdienstwillige
S. van Amama.
Groet mijnentwegen den Heren Syndicus Castricomius
ende andere goede bekenden bij occasie, dat ic wil
godt mit den naesten bode aen mijn Cousin schriuen sal.
f.173v
Erentfeste, hoochgeleerde, wijse
seer voorsienige here Mijn here
Ubbo Emmen, Rector
Scholae Gruningen
Accepi ipsis Calendis
Martii 160
- Titel
- Transcript
Onderdeel van Letter by Sixtus Amama to Ubbo Emmius d.d. 27 February 1607